|
|
Uniform van een voortrekster :
(Uniform van de voortrekker, zie onderaan.)
Marineblauwe hoed met vier deuken, lichtblauw hemd met opgestroopte lange mouwen, marineblauwe rok of broekrok, marineblauwe kousen (wit voor de ceremonies), marineblauwe trui (met ronde hals, gedragen over de rok). De hemdskraag blijft onder de trui.
Opmerking: De welp die naar de troep overgaat behoudt haar welpenuniform tot zij de eed van trouw aflegt.
Blauwe hoed met vier deuken
Lichtblauw hemd (met opgerolde mouwen)
Groepslint
Provincieschild
Badges : worden bevestigd op de rechtermouw in de volgorde waarin ze behaald zijn. De badges vormen een veelvlak. Ze mogen er slechts opgenaaid worden na het behalen van de proeven van tweede klasse. De E.H.B.O.-badge draagt men op de linkermouw. De badges staan garant voor het technische peil in de aangegeven specialiteit. Daarom kunnen er slechts een beperkt aantal worden behaald (hoogstens 12). Stelt een leidster op een bepaald ogenblik een tekort vast, dan spoort zij de gids aan zich bij te werken, zoniet dient zij haar badge in te leveren.
Actieposten
Europagidsen-bandje
Belgisch lintje
Lederen riem met FSE-gesp
Beloftekruis : metalen scoutskruis met acht punten, belegd met de lelie, dit alles omsloten door een band met de letters F.S.E. Dit kruis wordt overhandigd bij de belofte. Het prijkt vooraan op de hoed, juist boven de lederen riem.
Groepsdas
Dasring (lederen veter)
Patrouillelinten : 2 dubbele linten van een 15-tal cm lang in de patrouillekleuren en vastgemaakt aan de linkerhemdsmouw ter hoogte van de linkerschoudernaad van de trui. Men gebruikt hiervoor een driekleurig (zwart, geel, rood) koordje. De patrouillelinten worden overhandigd bij de eed van trouw aan de PL. Bij die gelegenheid geeft men eveneens de groepsdas aan de nieuweling die geen welp is geweest.
Indien een patrouille verdwijnt, zal men de totem van de verdwenen patrouille herinvoeren bij een mogelijke “her-oprichting” van een nieuwe patrouille.
Klasse-kentekens : worden op de linkermouw gedragen, juist onder het uiteinde van de patrouillelinten. Deze kentekens worden officieel overhandigd door de eenheidsleidster. Ze worden toegekend door de Ereraad. Beide kentekens worden nooit samen gedragen.
2de klasse : lelie, halfwit, halfgroen.
1ste klasse : lelie, halfwit, halfrood met de internationale leuze "Semper parati" (Latijn voor “Steeds paraat”)
Geweven borstkruis
PL-linten
Marineblauwe rok of broekrok
Witte kousen
Stads- of stapschoenen afhankelijk van de activiteit (geen sportschoenen)
Marineblauwe regenkledij
De kentekens ter voorbereiding van de 1ste klasse : gevlochten, wollen kentekens in de overeenkomstige kleur (wit, geel, groen, blauw en rood), met dezelfde lengte als het 2de klasse-kenteken. Ze worden 2 cm boven het 2de klasse-kenteken genaaid. Tussen de verschillende kentekens wordt 1 cm tussenruimte gelaten. Ze worden gedragen naarmate men ze verwerft in de proeven en verdwijnen, samen met het 2de klasse-kenteken, bij toekenning van de 1ste klasse, na beslissing van de Ereraad.
Hogere brevetten : worden gedragen boven het borstkruis en kunnen slechts behaald worden na de 1ste klasse.
De patrouilleleidster die nog niet is aangesteld draagt op haar hemd één enkele verticale, witte streep rechts van de plooi van de linkerborstzak van het hemd en op de overeenkomstige plaats op de trui.
De aangestelde patrouilleleidster draagt op haar hemd twee verticale, witte strepen van 2 cm breed, aan weerszijden van de plooi van de linkerborstzak van het hemd, over de ganse lengte van de zak, en op de overeenkomsige plaats op de trui. Zij draagt tevens het wit leidsterskoord gestrengeld rond haar das. Het begrip "Eerste PL" bestaat niet.
De hulppatrouilleleidster draagt één enkele verticale, witte streep, die genaaid wordt op de plooi van de linkerborstzak van het hemd, en op de overeenkomstige plaats op de trui.
De HPL wordt niet aangesteld en draagt ook geen wit leidsterskoord.
De actieposten : elk lid van de patrouille mag binnen zijn patrouille een verantwoordelijkheid uitoefenen voor een onderdeel van “de vorming”: het is haar actiepost (A.P.). Zij vervolmaakt zich in een aantal vaardigheden (hoogstens 3) die zij dan verder aanleert aan de andere patrouille-leden. Zij draagt de overeenkomstige badge(s) boven het verenigingslintje. Deze badge doet dan dienst als kenteken voor de actiepost. In principe heeft de PL geen A.P. De A.P. kunnen elk jaar herverdeeld worden.
Voorbeelden van A.P. :
E.H.B.O.-er van de patrouille (badge "E.H.B.O.")
oriëntatie-specialist (badge "Oriëntatie")
Als het niveau van de specialiteit bereikt is, wordt de badge naar de rechtermouw overgebracht.

Uniform van de voortrekker
Kaki hoed met vier deuken, beige hemd met opgestroopte lange mouwen, marineblauwe ribfluwelen korte broek, marineblauwe kousen (wit voor de ceremonies), marineblauwe trui (met ronde hals, gedragen over de broek). De hemdskraag blijft onder de trui.
Opmerking: De welp die naar de troep overgaat behoudt zijn welpenuniform tot hij de eed van trouw aflegt.
Kaki hoed met vier deuken
Beige hemd (met opgerolde mouwen)
Groepslint
Provincieschild
Europascouts-bandje
Belgisch lintje
Lederen riem met FSE-gesp
Groepsdas
Dasring (lederen veter)
Geweven borstkruis
PL-linten
Marineblauwe ribfluwelen korte broek
Witte kousen
Stads- of stapschoenen afhankelijk van de activiteit (geen sportschoenen)
Marineblauwe regenkledij
Vereniginglintje, groepslint, provincieschild, nationaal driekleurig lint, borstkruis : zie gemeenschappelijke kentekens.
Beloftekruis : metalen scoutskruis met acht punten, belegd met de lelie, dit alles omsloten door een band met de letters F.S.E. Dit kruis wordt overhandigd bij de belofte. Het prijkt vooraan op de hoed, juist boven de lederen riem.
Patrouillelinten : 2 dubbele linten van een 15-tal cm lang in de patrouillekleuren en vastgemaakt aan de linkerhemdsmouw ter hoogte van de linkerschoudernaad van de trui. Men gebruikt hiervoor een driekleurig (zwart, geel, rood) koordje. De patrouillelinten worden overhandigd bij de eed van trouw aan de PL. Bij die gelegenheid geeft men eveneens de groepsdas aan de nieuweling die geen welp is geweest.
Indien een patrouille verdwijnt, zal men de totem van de verdwenen patrouille herinvoeren bij een mogelijke “her-oprichting” van een nieuwe patrouille.
Klasse-kentekens: worden op de linkermouw gedragen, juist onder het uiteinde van de patrouillelinten. Deze kentekens worden officieel overhandigd door de eenheidsleid(st)er. Ze worden toegekend door de Ereraad. Beide kentekens worden nooit samen gedragen.
2de klasse : lelie, halfwit, halfgroen.
1ste klasse : lelie, halfwit, halfrood met de internationale leuze "Semper parati" (Latijn voor “Steeds paraat”)
De kentekens ter voorbereiding van de 1ste klasse : gevlochten, wollen kentekens in de overeenkomstige kleur (wit, geel, groen, blauw en rood), met dezelfde lengte als het 2de klasse-kenteken. Ze worden 2 cm boven het 2de klasse-kenteken genaaid. Tussen de verschillende kentekens wordt 1 cm tussenruimte gelaten. Ze worden gedragen naarmate men ze verwerft in de proeven en verdwijnen, samen met het 2de klasse-kenteken, bij toekenning van de 1ste klasse, na beslissing van de Ereraad.
Badges : worden bevestigd op de rechtermouw in de volgorde waarin ze behaald zijn. De badges vormen een veelvlak. Ze mogen er slechts opgenaaid worden na het behalen van de proeven van tweede klasse. De E.H.B.O.-badge draagt men op de linkermouw. De badges staan garant voor het technische peil in de aangegeven specialiteit. Daarom kunnen er slechts een beperkt aantal worden behaald (hoogstens 12). Stelt een leider op een bepaald ogenblik een tekort vast, dan spoort hij de scout aan zich bij te werken, zoniet dient hij zijn badge in te leveren.
Hogere brevetten : worden gedragen boven het borstkruis en kunnen slechts behaald worden na de 1ste klasse.
De patrouilleleider die nog niet is aangesteld draagt op zijn hemd één enkele verticale, witte streep rechts van de plooi van de linkerborstzak van het hemd en op de overeenkomstige plaats op de trui.
De aangestelde patrouilleleider draagt op zijn hemd twee verticale, witte strepen van 2 cm breed, aan weerszijden van de plooi van de linkerborstzak van het hemd, over de ganse lengte van de zak, en op de overeenkomsige plaats op de trui. Hij draagt tevens het wit leiderskoord gestrengeld rond zijn das. Het begrip "Eerste PL" bestaat niet.
De hulppatrouilleleider draagt één enkele verticale, witte streep, die genaaid wordt op de plooi van de linkerborstzak van het hemd, en op de overeenkomstige plaats op de trui.
De HPL wordt niet aangesteld en draagt ook geen wit leiderskoord.
De actieposten : elk lid van de patrouille mag binnen zijn patrouille een verantwoordelijkheid uitoefenen voor een onderdeel van “de vorming”: het is zijn actiepost (A.P.). Hij vervolmaakt zich in een aantal vaardigheden (hoogstens 3) die hij dan verder aanleert aan de andere patrouille-leden. Hij draagt de overeenkomstige badge(s) boven het verenigingslintje. Deze badge doet dan dienst als kenteken voor de actiepost. In principe heeft de PL geen A.P. De A.P. kunnen elk jaar herverdeeld worden.
Voorbeelden van A.P. :
E.H.B.O.-er van de patrouille (badge "E.H.B.O.")
oriëntatie-specialist (badge "Oriëntatie")
Als het niveau van de specialiteit bereikt is, wordt de badge naar de rechtermouw overgebracht.

|
|